Kweekprogramma

Van kruising tot ras


Tussen het maken van een kruising tot de commerciële ontwikkeling ligt ongeveer een periode van 10 jaar.

Er wordt begonnen met het bepalen van de kweekdoelen; zetmeel, frites of consumptie/export. Hiervoor worden op basis van landbouwkundige- en resistentie-eigeschappen kruisingsouders uitgezocht. In het voorjaar komen deze planten in de kas. Er wordt gebruik gemaakt van bestaande rassen maar ook van zaailingen uit het kweekprogramma.


Na een succesvolle kruising zal de plant bessen aanmaken waarin de zaadjes zitten. De zaden worden uit de bessen gehaald en bewaard tot het volgend jaar voor uitzaai in de kas.

Van deze zaailingen wordt ca. 15 weken na uitzaai 1 knolletje per plant geoogst. Dit knolletje wordt bewaard en het daaropvolgend jaar uitgepoot op het veld. Dit zijn de zogenaamde 1e jaars. In beginsel is elk knolletje een potentieel ras.


In de daaropvolgende jaren worden de klonen in het veld beoordeeld op hun eigenschappen; ontwikkeling, looftype, opbrengst, knolaantal, sortering enz. Tevens worden eigenschappen als zetmeelopbrengst, bak- en smaakeigenschappen beoordeeld.

Reeds in een vroeg stadium worden potentiele klonen in het laboratorium onderzocht op resistenties tegen aardappelmoeheid en wratziekte. In latere stadia worden eigenschappen als phytophtora-, virus-, en schurftresistenties bepaald.


Vanaf het 4e jaar worden rassen, afhankelijk van hun eigenschappen, geplaatst op proefvelden door heel Europa.

Wanneer na jaren een kloon is overgebleven wordt deze aangemeld voor onderzoek door de overheid met als doel opname in de Nationale en Europese rassenlijst. Hierdoor worden de ontwikkelde rassen beschermd met het kwekersrecht.